
Heb je ooit al eens met je vuist op tafel geslagen omdat de wifi het niet deed? Check je om de 2 minuten je mailbox? Lukt het je niet om meldingen te negeren? Je bent zeker niet de enige. 1 op de 5 Belgen lijdt naar schatting aan technostress. Een overzicht.
Uit een recente enquête bij meer dan 1000 werknemers en zelfstandigen in België[1] bleek dat technologiegerelateerde stress écht bestaat en het professionele welzijn sterk beïnvloedt. De volgende vier cijfers illustreren de omvang van het probleem. 21,6% voelt zich onzeker over technologie en heeft dus het gevoel dat ze geen controle hebben over technische veranderingen. 14,1% zegt dat het werk complexer geworden is als gevolg van digitale hulpmiddelen. 13,7% ervaart technologische overbelasting omdat technologie hen dwingt om sneller te werken en te veel informatie te verwerken. En tot slot denkt 5,1% dat er sprake is van een technologische invasie die de grens tussen werk en privé doet vervagen.
En in tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, is het echt geen kwestie van leeftijd: zogenaamde ‘digital natives’ (de generaties die met digitale technologieën zijn opgegroeid) blijken helemaal niet immuun voor digitale stress. Hun technische beheersing van de vele tools beschermt hen immers niet noodzakelijk tegen cognitieve overbelasting, hyperconnectiviteit of de druk om voortdurend bereikbaar te zijn.
“Op een ochtend besefte is dat ik compleet gek werd van mijn smartphone. Hij ligt altijd naast mijn bed, en het eerste wat ik doe als ik wakker word, is mijn WhatsApp-berichten lezen in de chats van het werk. Het was half acht en mijn baas had al meer dan 15 berichten gestuurd om me te laten weten wat ik die dag moest doen. Ik schreeuwde het letterlijk uit en gooide mijn telefoon tegen de muur. Mijn partner keek me angstig aan. Mijn telefoon viel aan diggelen. Ik heb meer dan twee weken niet kunnen werken”, vertelt Salma, die teamleader is bij een bouwbedrijf.
Technostress is de term voor stress die samenhangt met het gebruik van digitale technologieën en die mensen ervaren wanneer ze te maken krijgen met technologische vereisten die hun aanpassingsvermogen te boven gaan. Het is een staat van psychologische, emotionele en soms ook fysieke spanning die veroorzaakt wordt door de alomtegenwoordigheid en toenemende complexiteit van informatie- en communicatietechnologieën (computers, smartphones, messaging, samenwerkingsplatformen enz.) op het werk en in het privéleven.
Het concept werd in de jaren 80 voor het eerst beschreven door psycholoog Craig Brod, die het zag als een ‘moderne aanpassingsziekte’ als gevolg van het onvermogen om op een gezonde manier om te gaan met nieuwe technologieën. Vandaag de dag draait het eerder om een negatieve psychologische band tussen mensen en technologie, waarbij intensief of ongecontroleerd gebruik van digitale hulpmiddelen kan leiden tot angst, een overdaad aan informatie, een permanent gevoel van urgentie of problemen om het werk los te laten (‘deconnecteren’).
Technostress is geen abstract of onbenullig concept: het heeft meetbare psychologische en cognitieve effecten. Langdurige blootstelling aan digitale prikkels kan bijvoorbeeld leiden tot meer angst en aanhoudende prikkelbaarheid, een rechtstreeks gevolg van een overdaad aan informatie en voortdurende afleiding. Dat soort cognitieve druk resulteert vaak in chronische mentale vermoeidheid. De hersenen hebben moeite om te herstellen tussen twee taken of meldingen door, waardoor mensen zich moeilijker kunnen focussen op een bepaalde activiteit. Als gevolg daarvan is er vaak sprake van concentratieverlies, worden er meer fouten gemaakt en daalt de kwaliteit van het geleverde werk omdat het brein zich op meerdere informatiestromen moet richten. Daarnaast ervaren mensen een permanent gevoel van urgentie, waarbij elk bericht of elke melding een onmiddellijke reactie lijkt te vereisen. Ook dat zorgt voor voortdurende spanning die het aanpassingsvermogen onder druk zet. Zonder pauzes of maatregelen kan dit na verloop van tijd het risico op een burn-out aanzienlijk vergroten, een toestand van emotionele en fysieke uitputting als gevolg van langdurige, ongecontroleerde stress. Als alles dringend lijkt en schijnbaar prioriteit moet krijgen, is er geen ruimte voor diepgaande aandacht, en net die cognitieve en emotionele overbelasting is een concreet gevolg van technostress.
Overmatige blootstelling aan schermen is bovendien bijzonder intensief voor onze ogen en kan een aanzienlijke invloed hebben op ons gezichtsvermogen en dus onze vermoeidheid.
Technostress is geen strikt individueel probleem, maar een belangrijk organisatorisch probleem waarvoor werkgevers ook verantwoordelijk zijn. Ze moeten er met name over waken dat het recht op deconnectie (zie extra 2) wordt gerespecteerd. Dat recht is vastgelegd in de wetgeving en garandeert dat werknemers niet wettelijk verplicht zijn om buiten hun werkuren verbonden of bereikbaar te blijven en dat hun rust- en vrije tijd worden gerespecteerd. Vaak maakt die bepaling deel uit van een collectieve overeenkomst of een intern charter met praktische regels.
Naast dat wettelijke kader moeten werkgevers ook aandacht besteden aan de keuze van digitale tools. Zo kiezen ze beter voor minder tools die beter beheerst worden dan voor een wildgroei aan platformen. Dat is minder complex en verwarrend voor hun teams. Tot slot is het niet genoeg om alleen maar een hulpmiddel aan te bieden. Het gebruik ervan moet namelijk gepaard gaan met duidelijke regels en trainingen, zodat oplossingen die bedoeld zijn om het werk makkelijker te maken geen stress opleveren door een gebrek aan omkadering. Een goede tool die op een slechte manier wordt ingezet, zonder enige ondersteuning of gebruiksregels, kan immers snel tot overspanning en druk leiden.
Om technostress te verminderen, tonen sommige organisaties dat het anders kan: zij gebruiken digitale technologieën op zo’n manier dat ze het welzijn verbeteren in plaats van overbelasting veroorzaken. Een eerste concrete maatregel is om gezamenlijke charters voor digitale tools op te stellen, waarin bijvoorbeeld duidelijke collectieve gebruiksregels voor communicatietools worden vastgelegd. Denk maar aan tijdstippen waarop er geen berichten mogen worden verstuurd of prioriteitsniveaus voor meldingen. Zo weet iedereen wat er al dan niet verwacht wordt. Nog een mogelijkheid is periodes zonder vergaderingen of interne berichten invoeren. Denk daarbij bijvoorbeeld aan een namiddag waarin je focust op diepgaand werk, of uren waarin er geen digitale tools worden gebruikt. Dergelijke praktijken bevorderen het digitale welzijn omdat er wordt ingezet op concentratie in plaats van voortdurende afleiding.
Ook ‘digitale balans’ moedigt een rationeel gebruik van technologieën aan. Dat principe is afgeleid van digitaal minimalisme: het legt de focus op het essentiële en vermindert onnodige ‘ruis’. Zo worden mensen minder blootgesteld aan prikkels en houden ze hun aandacht er beter bij. Tot slot zijn ook opleidingen over een verstandig en effectief gebruik van tools een must. Teams ontwikkelen zo hun competenties om de digitale toestroom van informatie beter te beheren. Ze leren bijvoorbeeld hoe ze meldingen kunnen instellen, hoe ze digitale werkruimtes kunnen organiseren en wat ze kunnen doen om hun aandachtspanne te maximaliseren.
Door al die benaderingen met duidelijke regels, tijdsblokken zonder afleiding, balans en gerichte trainingen te combineren, kunnen organisaties digitale ‘ruis’ verminderen en een soepelere, meer serene werkervaring garanderen. In een notendop: minder ruis en zinvoller gebruik van technologieën 😉
Het doel: regelmatig activiteiten organiseren op een boerderij of in een natuurlijke omgeving om mensen met een burn-out of depressie te helpen herstellen. Samuel Hubaux, directeur en projectverantwoordelijke voor het programma Groene Zorg van vzw Nos Oignons, beantwoordt onze vragen.
Het programma ‘Groene Zorg’ biedt een innovatieve aanpak om mensen met een burn-out of een werkgerelateerde depressie te helpen herstellen door middel van activiteiten op partnerboerderijen die aan sociale landbouw doen in België. De activiteiten duren zo’n halve tot anderhalve dag per week, en er wordt zowel individueel als in groep gewerkt. Het programma, dat loopt tot december 2026, is gebaseerd op de ervaring van 11 ondersteuningsstructuren waarin meer dan 1.200 boerderijen uit de 3 gewesten van het land samenkomen.
Uit talloze onderzoeken is al gebleken dat contact met Moeder Natuur gezond is voor onze geest én voor ons lichaam. Sociale landbouw voegt daar andere waardevolle ingrediënten aan toe, met name in het geval van een burn-out. Als meerdere mensen samen actief zijn, helpt dat namelijk om de sociale banden en het zelfvertrouwen te herstellen. En omdat ze echt werk verzetten, voelen ze zich nuttig en gewaardeerd door professionals die hun knowhow maar wat graag delen. Dit project draait dus om sociale landbouw én om zorgverlening: mensen krijgen de kans om op ontdekking te gaan, dingen te delen en te leren, solidariteit te tonen en te herstellen. Iedereen kan op zijn eigen tempo evolueren en voelt zich nuttig en betrokken.
De initiatiefnemers willen niet alleen deze activiteiten laagdrempeliger maken, maar ook helpen te beoordelen in hoeverre ‘groene zorg in de landbouw’ mensen kan ondersteunen bij hun herstel. Naast praktische activiteiten op de boerderijen bieden we de deelnemers de kans om mee te werken aan een onderzoek van de teams van KULeuven, UAntwerpen en de ULB. De resultaten zullen worden gebruikt in de lopende besprekingen met de federale gezondheidsautoriteiten.
De indrukwekkende cijfers voor langdurige arbeidsongeschiktheid, vooral als gevolg van psychische problemen, geven aan dat een aanzienlijk deel van de werkende bevolking ongelukkig is op het werk. Naast hun lijden, de impact op hun omgeving en de gevolgen voor de overheidsfinanciën zet dit probleem ook de organisatie van veel bedrijven onder druk. Die zijn dan ook naarstig op zoek naar oplossingen en we zijn ervan overtuigd dat ze een belangrijke rol kunnen spelen. Naast andere benaderingen die ze zouden kunnen ondersteunen of promoten bij hun teams, is sociale en zorglandbouw voor sommige werknemers een praktische oplossing. De activiteiten worden op een zeer flexibele manier georganiseerd: er wordt altijd rekening gehouden met de achtergrond, beperkingen en behoeften van de deelnemers, net als met de aanpassingen die al dan niet mogelijk zijn binnen het kader van de partnerboerderijen. Die boerderijen krijgen zelf ook langdurige ondersteuning. De activiteiten zijn zeer divers. Mensen kunnen er niet alleen aan deelnemen tijdens hun werkonderbreking, maar ze ook blijven doen tijdens hun gedeeltelijke terugkeer naar het werk, of zelfs als preventieve maatregel wanneer er tekenen van matige uitputting worden vastgesteld. We hebben gemerkt dat de aangeboden activiteiten helpen om het risico op terugval te beperken, wat vaak voorkomt bij een burn-out.
Op initiatief van de betrokkene, diens huisarts of diens psycholoog kan contact worden gelegd met een ondersteunende partner van het programma. Er is geen formeel voorschrift nodig. We moedigen gewoon een dialoog aan tussen de betrokkene en de eerstelijnszorgverlener die hem of haar begeleidt, over hoe het aanbod in zijn of haar herstelproces past. De namen van de voorzieningen en de contactgegevens van de maatschappelijk werkers en gezondheidsprofessionals zijn te vinden op de website van het programma.
Geïnteresseerden kunnen voor advies ook contact opnemen met Sylvia Spelmans (0484 64 37 87). Na een kennismakingsgesprek wordt een eerste afspraak op de boerderij gepland. Er wordt dan niet alleen gesproken over de inhoud van de activiteiten, tijdschema’s enz., maar ook over de administratieve formaliteiten (bv. verzekering). Bovendien krijgt de deelnemer een gast- of vrijwilligersovereenkomst aangeboden. De meeste activiteiten zijn gratis. Om zeker met alles in orde te zijn, is het een goed idee om het ziekenfonds op de hoogte te brengen als men vrijwilligerswerk doet in de sociale landbouw. Dit heeft geen gevolgen voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Vervoerskosten naar de boerderij worden onder bepaalde voorwaarden vergoed (zie ook de FAQ op onze website). Bij ondertekening van de gastovereenkomst wordt ook een inschrijving in het studieprogramma aangeboden. Dat deel wordt ondersteund door de programmacoördinator en bestaat voornamelijk uit een online vragenlijst die elke twee maanden moet worden ingevuld, eventueel aangevuld met individuele of groepsgesprekken met de onderzoekers.
Meer info op www.soinsverts-groenezorg.be

